LEERDOELEN
1 Je moet drie voorbeelden kunnen noemen van het gebruik van elektriciteit in het dagelijks leven. [P1, T1, W1]
2 Je moet weten dat een elektrische stroom kan zorgen voor een warmte-effect en voor een magnetisch effect. [P1, T1, W1]
3 Je moet weten van welk(e) effect(en) gebruik wordt gemaakt in apparaten zoals een elektromotor, een wasmachine of een straalkachel. [P1,T1, W1]
4 Je moet weten dat een batterij, een accu en een stopcontact zorgen voor de spanning waarop elektrische apparaten werken. [P2, T2, W2]
5 Je moet weten dat U het symbool is voor spanning en dat de eenheid van spanning de volt is, afgekort V. [P2, T2, W2]
6 Je moet weten dat spanning de oorzaak van elektrische stroom is. [P2, T2, W2]
7 Je moet weten dat er een gesloten stroomkring moet zijn om een elektrische stroom te kunnen laten lopen. [P2, T2, W2]
8 Je moet weten dat I het symbool is voor elektrische stroomsterkte en dat de eenheid van stroomsterkte de ampère is, afgekort A. [P3, T3, W3]
9 Je moet weten dat de stroomsterkte in een stroomkring groter wordt, als er meer batterijen in serie in de kring worden opgenomen. [P3, T3, W3]
10 Je moet weten hoe je de stroomsterkte in een punt van de schakeling moet meten. [P3, T3, W3]
11 Je moet een stroommeter kunnen aflezen en de stroomsterkte zowel in ampère als in milliampère kunnen noteren. [P3, T3, W3]
12 Je moet weten hoe je het juiste meetbereik van een stroommeter kiest om zo goed mogelijk te kunnen aflezen. [P3, T3, W3]
13 Je moet de symbolen kennen die in een schakelschema gebruikt worden voor: een spanningsbron (batterij, accu), een lamp, een snoer, een schakelaar en een stroommeter. [P4, T4, W4]
14 Je moet vanuit een schakelschema een schakeling kunnen bouwen. [P4, T4, W4]
15 Je moet met een beschrijving van een schakeling het bijbehorende schakelschema kunnen tekenen en de schakeling kunnen bouwen. [P4, T4, W4]
16 Je moet weten dat in een serieschakeling de stroomsterkte overal even groot is. [P4, T4, W4]
17 Je moet weten hoe lampjes in een serieschakeling geschakeld zijn. [P4, T4, W4]
18 Je moet weten hoe lampjes in een parallelschakeling geschakeld zijn. [P4, T4, W4]
19 Je moet in een schakeling met vier gelijke lampjes aan kunnen geven welk(e) lampje(s) het felst brand(t)(en). [P4, T4, W4]
20 Je moet verschillende serieschakelingen, alle met dezelfde soort lampjes, met elkaar kunnen vergelijken en kunnen zeggen in welke schakeling de lampjes het felst branden. [P4, T4, W4]